Nog steeds in Leh
Zwerven door Leh zorgt voor steeds nieuwe ontdekkingen. Ik loop langzaam, vanwege de ijle lucht. Door aardappelvelden, onder wuivende populieren. langs kleine irrigatiebeekjes, tussen bemuurde steegjes door, naar oude, kleine dorpjes. De huizen zijn allemaal in dezelfde stijl gebouwd: van steen, witgepleisterd, hoekig, met veel ramen en boven op het platte dag een rits gebedsvlaggetjes. Overal kom ik stuppa's tegen en af een toe een oude Gompa (klooster) met prachtige frescoes en houtbewerkingen. De zon brandt en het licht is fel aan de ogen.
Guesthouses zijn hier overal. Ze zijn sfeervol gebouwd en hebben vaak een grote tuin waarin allerlei groenten worden verbouwd. 's Avonds kan ik meeeten met de familie; er wordt dan voor alle gasten een maaltijd bereid van de verse onbespoten groenten uit de tuin.
De stad zelf heeft een nieuw en een oud deel. Het nieuwe deel is toeristisch met veel Kashmiri's die hun waar proberen te verkopen. De toeristen zijn enigszins anders dan in de rest van India. Heel veel groepen en heel veel trekkers; mensen die hier slechts drie weken komen, direct vanuit Europa, om twee a drie weken door de Himalaya te wandelen. Ze hebben dure wandelkleding aan, zijn goed voorbereid op koude nachten hoog in de bergen en rennen door Leh omdat iedere minuut goed benut moet worden. Maar gelukkig zijn er ook nog de vertrouwde Israelies en de hippies die je overal in India tegen het lijf loopt: tatoos, piercings, dreads, lichte en vaak vervuilde Indiakleding, sandalen... en een lanzame, slome tred. Want ze hebben, net als ik alle tijd.
Het oude deel heeft geen bomen. Alles is er grijsgeel. Nauwe straatje lopen soms nergens naar toe. Ik kruip door gangetjes, loop terug bij spontane vuilnisbeltjes, volg mijn gevoel en orienteer me op het paleis dat hoog boven me uittorent. Door gootjes stroomt ineens wat geel water als een man zijn pan in de straat leeggooit. Jonge hondjes kijken me loom aan en nemen niet eens de moeite te blaffen. Ik vraag me af waar de winkeltjes van rondkomen; ik zie er nooit iemand binnen en de etenswaren die voor de ramen liggen uitgestald, zijn allemaal over de datum.
En ineens ben ik weer in de drukte, waar vanalles wordt aangeboden: prachtige stoffen, bebloedde geitenkoppen, plastic emmers, nagemaakte horloges, tassen waarvan je weet dat ze na drie keer gebruiken kapot gaan, en veel mannen die me constant aanstaren. Maar dat ben ik na bijna drie maanden India ondertussen wel gewend.
Morgen ga ik een van de valleien in, richting Kargil en dan naar beneden. De 31ste schijnt er een festival te zijn in Piang en de 2de ga ik een vierdaagse trekking maken met een jong Belgisch stel dat ik net heb ontmoet. De 6de ben ik weer in de lucht, vol met nieuwe verhalen.
woensdag 23 juli 2003
Move
De kok van het hotel in Keylong waar ik verbleef, kwam wat zenuwachtig naast mijn tafeltje staan: "En, was je pannekoek lekker". Ik antwoorde vriendelijk en een beetje verbaasd: "ja hoor, prima, vooral de mango." "Heb ik gemaakt." zei de man en vervolgens ging hij verder: "Het wordt hier heel druk, er komt een grote groep mensen." "Goh, wat fijn voor jullie, dat betekent goede business.", antwoorde ik. Maar langzaam begon ik aan te voelen dat het gesprek ergens anders over ging dan lekkere pannenkoeken. "Wanneer ga jij weg?" vroeg de kok. Een vraag die regelmatig door hoteleigenaren wordt gesteld en op zich geen verbazing wekt. Ik vertelde dat ik van plan was hier nog een nacht te blijven om dan om 4.00 de volgende ochtend de bus naar Leh te pakken. Het gezicht van de kok vertrok pijnlijk. "Dus niet vandaag?", piepte hij bezorgd. Ik begreep waar hij heen wilde, besefte dat ze mij niet zomaar uit mijn kamer konden zetten en antwoorde zelfbewust en een tikkeltje geniepig: "Nee, ik vind het hier zo fijn, Keylong is prachtig, het hotel is goed en ik geniet volop van het prachtige uitzicht." Hij liep weg zonder iets te zeggen.
Ik keek Alva aan die tegenover me zat. " Ze willen je weg hebben denk ik", zei ze. Dat was ook al bij mij opgekomen maar dat zou niet zomaar gebeuren. De manager van het hotel kwam er bij, met dezelfde omslachtige manier van communiceren. Of ik het hier naar mijn zin had, wanneer ik weg wilde gaan, dat er een grote groep mensen kwam en alle kamers bezet zouden zijn, dat ze hadden gedacht dat ik maar een nacht zou blijven... Ik lachte vriendelijk, zei dat het niet mijn probleem was, en dat ik het erg vervelend vond om uit mijn kamer te moeten. Maar dat ik misschien een oplossing had (want zelf kwam hij daar niet mee): flinke korting op de vorige twee nachten en dan zou ik zelf een nieuw guesthouse zoeken. Opgelucht ging de manager accoord, zich puttent in vele excuses. Alva had inmiddels aangeboden bij haar te komen slapen. Ze had nog een bed vrij en vond het niet erg dat ik die nacht om 3.00 op moest.
Groen, blauw en bruin
Ik was twee dagen eerder vanuit Manali in Keylong aangekomen. Van de prachtige reis door de wolken, langs ravijnen en rivieren over de Rohtangpas had ik ontzettend genoten. En onderweg was ik Miriam uit Zwitserland tegengekomen met wie ik twee nachten een kamer had gedeeld. Omdat ik in Manali erge diarree had gehad (vanwege een broodje ei op de full moon party) en drie dagen op bed had gelegen (verzorgd door Avishai), wilde ik langzaam naar Leh gaan en onderweg wat dagen aansterken in Keylong, de laatste stad voor Leh.
Samen met Miriam, en met Alva die last had van hoogteziekte en de reis naar Leh niet aandurfde, zijn we door aardappel- en bonenvelden, langs populieren en wilgen naar een 900 jaar oude gompa gelopen. Deze bleek echter net verwoest te zijn door storm of wind (dat werd niet echt duidelijk) en we werden door wat nonnen uitgenodigd voor wat chai en chappatti in de nieuw gebouwde tempel. We genoten van de prachtige omgeving: de bloemen die overal bloeiden, de oude dorpjes met kleurrijk geklede vrouwen en het fantastische en steeds wisselende zicht op de kale, beige en met sneeuw bedekte bergen.
Naar Leh
De reis naar Leh was fantastisch, fantastisch, fantastisch. Zo indrukwekkend, zo mooi, zo afwisselend, zo groots. Ik had een goede plek naast het raam, waar ik mijn benen kwijt kon (hoewel ik wel helemaal achteraan zat, waardoor je bij iedere hobbel 50 cm de lucht in vliegt en met een klap weer op de achterbank terecht komt). Zodra het licht werd genoot ik volop van het waanzinnige zicht op de bergen die grijs, geel, rood en groen waren en met eeuwige sneeuw bedekt. Iedere twee uur stopten we in een soort tentenkamp waar je dan van verweerde bergbewoners wat chai, koekjes en thali kon krijgen. En waar je achter wat rotsblokken kon plassen.
Het is verbazingwekkend wat de buschauffeurs op deze 16 uur durende reis doen. De weg is smal en zeer slecht, vol gaten en rotsblokken. Regelmatig moeten kleine stroompjes worden overgestoken of vrachtwagens worden gepasseerd waarbij het steeds weer de vraag is hoe twee brede voertuigen elkaar kunnen passeren op zo'n smalle weg. De gemiddelde snelheid is ongeveer 15 tot 20 km/u bij een stijging (of daling) van 8 meter per minuut. Het licht is op 4500 meter hoogte erg fel en de zon brandt op de bergen. We zijn drie passen (4800, 5000 en 5300 meter) en een hoogvlakte overgestoken en steeds veranderde het uitzicht. Wat een gebied, wat een woestheid, wat een uitgestrektheid.
Oase
En dan kom je in de vallei waarin Leh ligt. Als in een oase van groen tussen het kale grijs en geel van de woestijn. Door irrigatie zijn de dorpen groen en stromen overal kleine beekjes. Wilgen en populieren ruisen in de wind die hier op 3500 meter constant waait. De lucht is helder en knalblauw en in de verte pieken de (vaak besneeuwde) kale bergen omhoog. En de mensen zijn hier ontzettend vriendelijk en hulpvaardig.
Ik heb geen last van de hoogteziekte, waarschijnlijk omdat ik 3 dagen in Keylong ben gebleven, dat ook op 3500 meter ligt. Ik heb alleen last van mijn rug door de hobbels en ben wat moe en verkouden van de reis. Waarschijnlijk blijf ik twee weken in Ladakh om te genieten van de rust maar ook om te gaan wandelen in de omringende bergen. En ik hoop hier nog wat mensen te ontmoeten die ik al eerder ben tegengekomen. In ieder geval ga ik vanavond eten met Patrick, de Belg met wie ik de ruige tocht door de Himalaya heb gemaakt.
De kok van het hotel in Keylong waar ik verbleef, kwam wat zenuwachtig naast mijn tafeltje staan: "En, was je pannekoek lekker". Ik antwoorde vriendelijk en een beetje verbaasd: "ja hoor, prima, vooral de mango." "Heb ik gemaakt." zei de man en vervolgens ging hij verder: "Het wordt hier heel druk, er komt een grote groep mensen." "Goh, wat fijn voor jullie, dat betekent goede business.", antwoorde ik. Maar langzaam begon ik aan te voelen dat het gesprek ergens anders over ging dan lekkere pannenkoeken. "Wanneer ga jij weg?" vroeg de kok. Een vraag die regelmatig door hoteleigenaren wordt gesteld en op zich geen verbazing wekt. Ik vertelde dat ik van plan was hier nog een nacht te blijven om dan om 4.00 de volgende ochtend de bus naar Leh te pakken. Het gezicht van de kok vertrok pijnlijk. "Dus niet vandaag?", piepte hij bezorgd. Ik begreep waar hij heen wilde, besefte dat ze mij niet zomaar uit mijn kamer konden zetten en antwoorde zelfbewust en een tikkeltje geniepig: "Nee, ik vind het hier zo fijn, Keylong is prachtig, het hotel is goed en ik geniet volop van het prachtige uitzicht." Hij liep weg zonder iets te zeggen.
Ik keek Alva aan die tegenover me zat. " Ze willen je weg hebben denk ik", zei ze. Dat was ook al bij mij opgekomen maar dat zou niet zomaar gebeuren. De manager van het hotel kwam er bij, met dezelfde omslachtige manier van communiceren. Of ik het hier naar mijn zin had, wanneer ik weg wilde gaan, dat er een grote groep mensen kwam en alle kamers bezet zouden zijn, dat ze hadden gedacht dat ik maar een nacht zou blijven... Ik lachte vriendelijk, zei dat het niet mijn probleem was, en dat ik het erg vervelend vond om uit mijn kamer te moeten. Maar dat ik misschien een oplossing had (want zelf kwam hij daar niet mee): flinke korting op de vorige twee nachten en dan zou ik zelf een nieuw guesthouse zoeken. Opgelucht ging de manager accoord, zich puttent in vele excuses. Alva had inmiddels aangeboden bij haar te komen slapen. Ze had nog een bed vrij en vond het niet erg dat ik die nacht om 3.00 op moest.
Groen, blauw en bruin
Ik was twee dagen eerder vanuit Manali in Keylong aangekomen. Van de prachtige reis door de wolken, langs ravijnen en rivieren over de Rohtangpas had ik ontzettend genoten. En onderweg was ik Miriam uit Zwitserland tegengekomen met wie ik twee nachten een kamer had gedeeld. Omdat ik in Manali erge diarree had gehad (vanwege een broodje ei op de full moon party) en drie dagen op bed had gelegen (verzorgd door Avishai), wilde ik langzaam naar Leh gaan en onderweg wat dagen aansterken in Keylong, de laatste stad voor Leh.
Samen met Miriam, en met Alva die last had van hoogteziekte en de reis naar Leh niet aandurfde, zijn we door aardappel- en bonenvelden, langs populieren en wilgen naar een 900 jaar oude gompa gelopen. Deze bleek echter net verwoest te zijn door storm of wind (dat werd niet echt duidelijk) en we werden door wat nonnen uitgenodigd voor wat chai en chappatti in de nieuw gebouwde tempel. We genoten van de prachtige omgeving: de bloemen die overal bloeiden, de oude dorpjes met kleurrijk geklede vrouwen en het fantastische en steeds wisselende zicht op de kale, beige en met sneeuw bedekte bergen.
Naar Leh
De reis naar Leh was fantastisch, fantastisch, fantastisch. Zo indrukwekkend, zo mooi, zo afwisselend, zo groots. Ik had een goede plek naast het raam, waar ik mijn benen kwijt kon (hoewel ik wel helemaal achteraan zat, waardoor je bij iedere hobbel 50 cm de lucht in vliegt en met een klap weer op de achterbank terecht komt). Zodra het licht werd genoot ik volop van het waanzinnige zicht op de bergen die grijs, geel, rood en groen waren en met eeuwige sneeuw bedekt. Iedere twee uur stopten we in een soort tentenkamp waar je dan van verweerde bergbewoners wat chai, koekjes en thali kon krijgen. En waar je achter wat rotsblokken kon plassen.
Het is verbazingwekkend wat de buschauffeurs op deze 16 uur durende reis doen. De weg is smal en zeer slecht, vol gaten en rotsblokken. Regelmatig moeten kleine stroompjes worden overgestoken of vrachtwagens worden gepasseerd waarbij het steeds weer de vraag is hoe twee brede voertuigen elkaar kunnen passeren op zo'n smalle weg. De gemiddelde snelheid is ongeveer 15 tot 20 km/u bij een stijging (of daling) van 8 meter per minuut. Het licht is op 4500 meter hoogte erg fel en de zon brandt op de bergen. We zijn drie passen (4800, 5000 en 5300 meter) en een hoogvlakte overgestoken en steeds veranderde het uitzicht. Wat een gebied, wat een woestheid, wat een uitgestrektheid.
Oase
En dan kom je in de vallei waarin Leh ligt. Als in een oase van groen tussen het kale grijs en geel van de woestijn. Door irrigatie zijn de dorpen groen en stromen overal kleine beekjes. Wilgen en populieren ruisen in de wind die hier op 3500 meter constant waait. De lucht is helder en knalblauw en in de verte pieken de (vaak besneeuwde) kale bergen omhoog. En de mensen zijn hier ontzettend vriendelijk en hulpvaardig.
Ik heb geen last van de hoogteziekte, waarschijnlijk omdat ik 3 dagen in Keylong ben gebleven, dat ook op 3500 meter ligt. Ik heb alleen last van mijn rug door de hobbels en ben wat moe en verkouden van de reis. Waarschijnlijk blijf ik twee weken in Ladakh om te genieten van de rust maar ook om te gaan wandelen in de omringende bergen. En ik hoop hier nog wat mensen te ontmoeten die ik al eerder ben tegengekomen. In ieder geval ga ik vanavond eten met Patrick, de Belg met wie ik de ruige tocht door de Himalaya heb gemaakt.
vrijdag 11 juli 2003
Malana
Ik weet nu een beetje hoe het voelt om "untouchable" te zijn. Om gemeden te worden, uitgescholden, toegespuwd. In Malana zijn toeristen minder dan de laagste kaste. Ze mogen de huizen, de voorwerpen en de mensen uit Malana niet aanraken. Als je de heilige plaatsen aanraakt, moet je 1000 rps betalen; of in bepaalde gevallen een geit offeren. De mannen dragen vilten, beige jasjes en een soort turkenhoedjes met een kleurig teruggeslagen flap. De vrouwen lopen vaak in dekens die met spelden om hun lichaam zijn geknoopt en daaronder de traditionele Indiaase dracht. Alles is vies en modderig, en de kleine betonnen paadjes die tussen de houten huizen doorleiden, zijn overdekt met poep en afval. Organisch afval verdwijnt gewoon, maar alle westerse troep die vanwege ons geimporteerd is, blijft daar nog honderden jaren liggen...
Het is niet eenvoudig om in Malana te komen. Eerst met een taxi naar de dam en dan een lange, prachtige en steile weg drie uur lang omhoog. Ergens hoog verborgen tussen de bergen ligt dan een oud, achtergebleven dorpje waar de beste hasj ter wereld vandaan komt. De planten groeien metershoog in speciale velden maar ook tussen de huizen. In augustus, als de planten rijp zijn, komt de hele vallei helpen bij het "rubben" van de stengels. Het is onvoorstelbaar hoeveel mensen betrokken zijn bij deze handel die door de politie wel gecontroleerd wordt maar heel moeilijk te reguleren is.
De gids zorgde er voor dat ik in een familieguesthouse terecht kwam. Zodat ik, als vrouw alleen, tussen andere vrouwen zou zijn. Ze letten hier goed op me, ik zorg dat ik niet in vervelende situaties terecht kom. Ik mocht van de gids dan ook niet alleen naar beneden lopen, desnoods kwam hij weer naar boven om me te halen. Maar dat was niet nodig. In het guesthouse waren ook Freddy en Alex, met wie ik veilig weer naar beneden ben gekomen.
Groen
Het is wel vreemd om weer terug te zijn in Parvatti Valley. Op de weg hier naartoe was alles al veel groener dan 6 weken terug. De appelbomen dragen appels en overal groeien bloemen. Het is vertrouwd en ik ga me een beetje een "oudgediende" voelen. Ik vertel mensen die net zijn aangekomen waar het mooi is en waar ze naar toe kunnen gaan. Grappig.
Vrijheid
Het alleen reizen bevalt me erg goed. Iedere beslissing is van mezelf en ik laat de dingen een beetje gebeuren. Toen ik in Dharam Sala op de bus stapte, wist ik nog niet dat ik in Jari zou eindigen. Dat kwam pas halverwege en het voelt goed. Morgen reis ik door naar Manali, misschien blijf ik daar nog een of twee dagen om dan verder te gaan naar Leh. Want dat is nog steeds mijn doel. Ik ben er inmiddels wel achter dat gymschoentjes niet geschikt zijn voor steile bergpaadjes. Manala ging prima, maar Leh is een ander verhaal. Dus ik ga op zoek naar goede bergschoenen.
Ik weet nu een beetje hoe het voelt om "untouchable" te zijn. Om gemeden te worden, uitgescholden, toegespuwd. In Malana zijn toeristen minder dan de laagste kaste. Ze mogen de huizen, de voorwerpen en de mensen uit Malana niet aanraken. Als je de heilige plaatsen aanraakt, moet je 1000 rps betalen; of in bepaalde gevallen een geit offeren. De mannen dragen vilten, beige jasjes en een soort turkenhoedjes met een kleurig teruggeslagen flap. De vrouwen lopen vaak in dekens die met spelden om hun lichaam zijn geknoopt en daaronder de traditionele Indiaase dracht. Alles is vies en modderig, en de kleine betonnen paadjes die tussen de houten huizen doorleiden, zijn overdekt met poep en afval. Organisch afval verdwijnt gewoon, maar alle westerse troep die vanwege ons geimporteerd is, blijft daar nog honderden jaren liggen...
Het is niet eenvoudig om in Malana te komen. Eerst met een taxi naar de dam en dan een lange, prachtige en steile weg drie uur lang omhoog. Ergens hoog verborgen tussen de bergen ligt dan een oud, achtergebleven dorpje waar de beste hasj ter wereld vandaan komt. De planten groeien metershoog in speciale velden maar ook tussen de huizen. In augustus, als de planten rijp zijn, komt de hele vallei helpen bij het "rubben" van de stengels. Het is onvoorstelbaar hoeveel mensen betrokken zijn bij deze handel die door de politie wel gecontroleerd wordt maar heel moeilijk te reguleren is.
De gids zorgde er voor dat ik in een familieguesthouse terecht kwam. Zodat ik, als vrouw alleen, tussen andere vrouwen zou zijn. Ze letten hier goed op me, ik zorg dat ik niet in vervelende situaties terecht kom. Ik mocht van de gids dan ook niet alleen naar beneden lopen, desnoods kwam hij weer naar boven om me te halen. Maar dat was niet nodig. In het guesthouse waren ook Freddy en Alex, met wie ik veilig weer naar beneden ben gekomen.
Groen
Het is wel vreemd om weer terug te zijn in Parvatti Valley. Op de weg hier naartoe was alles al veel groener dan 6 weken terug. De appelbomen dragen appels en overal groeien bloemen. Het is vertrouwd en ik ga me een beetje een "oudgediende" voelen. Ik vertel mensen die net zijn aangekomen waar het mooi is en waar ze naar toe kunnen gaan. Grappig.
Vrijheid
Het alleen reizen bevalt me erg goed. Iedere beslissing is van mezelf en ik laat de dingen een beetje gebeuren. Toen ik in Dharam Sala op de bus stapte, wist ik nog niet dat ik in Jari zou eindigen. Dat kwam pas halverwege en het voelt goed. Morgen reis ik door naar Manali, misschien blijf ik daar nog een of twee dagen om dan verder te gaan naar Leh. Want dat is nog steeds mijn doel. Ik ben er inmiddels wel achter dat gymschoentjes niet geschikt zijn voor steile bergpaadjes. Manala ging prima, maar Leh is een ander verhaal. Dus ik ga op zoek naar goede bergschoenen.
maandag 7 juli 2003
Het is goed om weer terug te zijn in Mc Leod. Mijn darmen komen weer langzaam tot rust, ik slaap goed, geniet van de koelte en de regenbuien hier, ontmoet mensen die ik eerder op de reis ook ben tegengekomen (Kim, Amir, Ilan), mensen die ik hier had achtergelaten (Raj en Rafiq) en nieuwe mensen (Guy, Anat, Festina, Jolande).
En tegelijkertijd is het ook heel anders. Omdat ik nu echt alleen ben, doe ik andere dingen. Ik ben hier al twee keer naar de film geweest voor 30 rps (60 eurocent). Nou ja film, een dvd-speler aangesloten op een groot scherm met daarvoor wat houten bankjes. Maar toch een leuke manier om de avond door te komen.
Ik neem veel tijd om met allerlei mensen te praten, over boedisme, Tibet, genieten van het moment, de Israelische kwestie, hindu’s en hun gewoonten, muziek, reizen... Ik ga even langs in de winkeltjes waar ik de vorige keer shawls of sieraden heb gekocht voor een chai en een praatje, ik wandel rond in het stadje of breng tijd door in de verschillende kloosters. Elke dag regent het flink hard en breng ik wat tijd door in mijn rustige kamer met prachtig uitzicht op de vallei. Het uitzicht wisselt steeds alnaar gelang het weer. En na de regen is alles heel helder. Ik lees er wat, teken wat mandela’s, luister naar muziek. En ik geniet van mijn eigen ritme.
De verjaardag van de Dalai Lama was mooi. De hele tempel was vol met mensen; Indiers, Tibetanen en westerlingen. Ik heb hem niet gezien, helaas, maar heb wel genoten van de Tibetaanse dansen, de prachtige kostuums en de gekke Tibetaanse kindjes die op allerlei manieren voor de camera wilden poseren. Overmorgen ga ik verder, langzaam op weg naar Ladakh. Misschien via Spitti Valley, misschien via Kashmir, misschien nog even langs Kirganga in Parvatti Valey. Dat beslis ik overmorgen wel. Ik heb de tijd...
En tegelijkertijd is het ook heel anders. Omdat ik nu echt alleen ben, doe ik andere dingen. Ik ben hier al twee keer naar de film geweest voor 30 rps (60 eurocent). Nou ja film, een dvd-speler aangesloten op een groot scherm met daarvoor wat houten bankjes. Maar toch een leuke manier om de avond door te komen.
Ik neem veel tijd om met allerlei mensen te praten, over boedisme, Tibet, genieten van het moment, de Israelische kwestie, hindu’s en hun gewoonten, muziek, reizen... Ik ga even langs in de winkeltjes waar ik de vorige keer shawls of sieraden heb gekocht voor een chai en een praatje, ik wandel rond in het stadje of breng tijd door in de verschillende kloosters. Elke dag regent het flink hard en breng ik wat tijd door in mijn rustige kamer met prachtig uitzicht op de vallei. Het uitzicht wisselt steeds alnaar gelang het weer. En na de regen is alles heel helder. Ik lees er wat, teken wat mandela’s, luister naar muziek. En ik geniet van mijn eigen ritme.
De verjaardag van de Dalai Lama was mooi. De hele tempel was vol met mensen; Indiers, Tibetanen en westerlingen. Ik heb hem niet gezien, helaas, maar heb wel genoten van de Tibetaanse dansen, de prachtige kostuums en de gekke Tibetaanse kindjes die op allerlei manieren voor de camera wilden poseren. Overmorgen ga ik verder, langzaam op weg naar Ladakh. Misschien via Spitti Valley, misschien via Kashmir, misschien nog even langs Kirganga in Parvatti Valey. Dat beslis ik overmorgen wel. Ik heb de tijd...
vrijdag 4 juli 2003
Zo, Annielies weer in Nederland, ik weer in Dharam Sala. Over twee dagen is de Dalai Lama jarig en ik ben heel benieuwd hoe dat hier gevierd gaat worden. Vertrouwd om hier weer terug te zijn, lekker om weer wat koeler weer te hebben. Want het is wel erg heet geweest in Varanassi, Laxman Joohla en Amritsar.
Praten, praten, praten
In Laxman Joohla konden we weinig anders doen dan met de mensen die we daar leerden kennen (twee Engelsen en twee Amerikanen) discussieren over onderwijssystemen, kunst, religie, Irak en feminisme in India. Doordat we de tijd hebben voor elkaar, lijkt het alsof de discussies veel intensiever en interessanter worden. In Nederland ben ik altijd druk met dingen, neem ik te weinig tijd om echt over het leven na te denken. Gesprekken gaan vaak over werk of relaties, niet over wat er eigenlijk gebeurt in de wereld en hoe ik daar tegenaan kijk. Ik geniet dan ook van de informatie die ik uit alle hoeken van de wereld krijg en van de gesprekken die ik daarover heb met mensen. Tegen de avond koelde het wat af en zijn we steeds het water op gaan zoeken. De tweede keer zijn we met z'n allen zelfs met kleren en al in de poel bij een waterval gesprongen om te genieten van de koelte en de waanzinnig sterke energie die er hing.
Slapen in de tempel
In Amritsar ontmoette ik Paul in mijn hotel. Ik had net de nacht doorgebracht in de gouden Sikhtempel waar ik de avond ervoor alleen was aangekomen. Overal lagen pelgrims te slapen op de grond, sommigen deden nog even snel een wasje of aten een hapje en ik kon een bed krijgen tussen een stel andere bedden in een grote ruimte. Maar omdat ik de nacht ervoor maar 3 uur had geslapen, drong ik aan op een kamer voor mezelf. Na wat gezucht, opende een van de dienstdoende Sikh een broeierig (maar gratis) hok met een houten bed. Prima, ik was zo moe dat ik meteen in slaap viel.
Sikh geschiedenis
Met Paul heb ik de volgende dag het tempelcomplex bekeken. Wat een prachtige en vreemde plek. In het midden van een (heilige) vijver ligt een gouden tempel die begin jaren tachtig grotendeels verwoest is geweest door het Indiase leger van Indira Gandi. Het leger maakte een eind aan de bezetting van de tempel door extreme Sikhs die een staat voor zichzelf eisten. Indira heeft hiervoor met haar leven moeten betalen. Ze werd door haar Sikh-bediende vermoord. Ik kan me vaag nog de commotie in het nieuws herinneren in die tijd.
De tempel is volledig gerestaureerd en is voor de Sikh de meest heilige plek om te bezoeken. Bewakers lopen er rond in een soort oranje jurk en met lange speren. Ze "bewaakten" ons als het ware door de mensen weg te jagen die ons aanstaarden, of die onze handen wilden schudden.
Voetbalstadium
Aan het eind van de dag zijn we naar de grens met Pakistan gereden. Een ritje van een uur door groene velden die aan Holland deden denken. Daar aangekomen leek het alsof we naar een voetbalwedstrijd gingen. Langs de weg stonden allemaal eetkraampjes en aan beide kanten van de grens waren grote tribunes opgesteld met daarop zo'n 5000 Pakistani aan de Pakistaanse kant en Indiers aan de kant van India. Zowel de Indiers als de Pakistani riepen elkaar in de smorende hitte regelmatig leuzen toe.
De grens was gesloten met twee hekken waarnaast twee vlaggen wapperden. En om deze twee vlaggen ging het: die moesten gestreken worden, met alle vertoon van dien. Als haantjes paradeerden de militairen een voor een naar het hek, maakten er primitieve "ik zal je krijgen" bewegingen om vervolgens weer terug te marcheren. En dit gebeurde vrijwel synchroon aan beide kanten van de hekken. Bij ieder "optreden" reageerde het publiek opgewonden met leuzen en geroep. Na ongeveer 20 minuten waren de vlaggen opgeborgen, stroomden de tribunes weer leeg en ging ieder weer netjes naar zijn eigen huis in India of Pakistan. Paul en ik keken elkaar aan, haalden onze schouders op en stapten in de rikshaw terug naar ons hotel.
Praten, praten, praten
In Laxman Joohla konden we weinig anders doen dan met de mensen die we daar leerden kennen (twee Engelsen en twee Amerikanen) discussieren over onderwijssystemen, kunst, religie, Irak en feminisme in India. Doordat we de tijd hebben voor elkaar, lijkt het alsof de discussies veel intensiever en interessanter worden. In Nederland ben ik altijd druk met dingen, neem ik te weinig tijd om echt over het leven na te denken. Gesprekken gaan vaak over werk of relaties, niet over wat er eigenlijk gebeurt in de wereld en hoe ik daar tegenaan kijk. Ik geniet dan ook van de informatie die ik uit alle hoeken van de wereld krijg en van de gesprekken die ik daarover heb met mensen. Tegen de avond koelde het wat af en zijn we steeds het water op gaan zoeken. De tweede keer zijn we met z'n allen zelfs met kleren en al in de poel bij een waterval gesprongen om te genieten van de koelte en de waanzinnig sterke energie die er hing.
Slapen in de tempel
In Amritsar ontmoette ik Paul in mijn hotel. Ik had net de nacht doorgebracht in de gouden Sikhtempel waar ik de avond ervoor alleen was aangekomen. Overal lagen pelgrims te slapen op de grond, sommigen deden nog even snel een wasje of aten een hapje en ik kon een bed krijgen tussen een stel andere bedden in een grote ruimte. Maar omdat ik de nacht ervoor maar 3 uur had geslapen, drong ik aan op een kamer voor mezelf. Na wat gezucht, opende een van de dienstdoende Sikh een broeierig (maar gratis) hok met een houten bed. Prima, ik was zo moe dat ik meteen in slaap viel.
Sikh geschiedenis
Met Paul heb ik de volgende dag het tempelcomplex bekeken. Wat een prachtige en vreemde plek. In het midden van een (heilige) vijver ligt een gouden tempel die begin jaren tachtig grotendeels verwoest is geweest door het Indiase leger van Indira Gandi. Het leger maakte een eind aan de bezetting van de tempel door extreme Sikhs die een staat voor zichzelf eisten. Indira heeft hiervoor met haar leven moeten betalen. Ze werd door haar Sikh-bediende vermoord. Ik kan me vaag nog de commotie in het nieuws herinneren in die tijd.
De tempel is volledig gerestaureerd en is voor de Sikh de meest heilige plek om te bezoeken. Bewakers lopen er rond in een soort oranje jurk en met lange speren. Ze "bewaakten" ons als het ware door de mensen weg te jagen die ons aanstaarden, of die onze handen wilden schudden.
Voetbalstadium
Aan het eind van de dag zijn we naar de grens met Pakistan gereden. Een ritje van een uur door groene velden die aan Holland deden denken. Daar aangekomen leek het alsof we naar een voetbalwedstrijd gingen. Langs de weg stonden allemaal eetkraampjes en aan beide kanten van de grens waren grote tribunes opgesteld met daarop zo'n 5000 Pakistani aan de Pakistaanse kant en Indiers aan de kant van India. Zowel de Indiers als de Pakistani riepen elkaar in de smorende hitte regelmatig leuzen toe.
De grens was gesloten met twee hekken waarnaast twee vlaggen wapperden. En om deze twee vlaggen ging het: die moesten gestreken worden, met alle vertoon van dien. Als haantjes paradeerden de militairen een voor een naar het hek, maakten er primitieve "ik zal je krijgen" bewegingen om vervolgens weer terug te marcheren. En dit gebeurde vrijwel synchroon aan beide kanten van de hekken. Bij ieder "optreden" reageerde het publiek opgewonden met leuzen en geroep. Na ongeveer 20 minuten waren de vlaggen opgeborgen, stroomden de tribunes weer leeg en ging ieder weer netjes naar zijn eigen huis in India of Pakistan. Paul en ik keken elkaar aan, haalden onze schouders op en stapten in de rikshaw terug naar ons hotel.
woensdag 2 juli 2003
dinsdag 1 juli 2003
Drijfnat
Het is zo warm in Laxman Joohla dat een wandelingetje van tien minuten om tickets op te halen me al kleddernat maakt. En vervolgens heb ik een half uur onder een ventilator nodig om weer droog te worden. En ik dacht dat Varanasi heet was.
Maar eigenlijk vind ik het niet zo erg. Ik ben allang blij dat mijn energie na vijf dagen weer terug is. In Varanasi werd ik eerst snotverkouden en vervolgens verdween mijn eetlust en energie. Ik had geen zin meer om rond te zwerven, te praten met mensen, foto's te maken, niets. Terwijl Annelies de stad verkende met Papu, haar kleine vriendje van 10 jaar die nu al de eerste verschijnselen van lepra begint te vertonen, kon ik me alleen maar van de ene plek naar de andere slepen om vervolgens een uur uit te rusten van de inspanningen.
Speciale geuren
We leerden Papu kennen op de eerste dag in Varanasi. We waren onze verkenning van de stad begonnen bij de Burning Gath (of all places). Lijken worden daar op bamboebrancards aangevoerd, gewikkeld in goudkleurige en rode doeken. Vervolgens dompelt de familie de verstijfde lichamen met brancard en al in de Ganga waarna de brancard tegen de trappen wordt gezet om te wachten tot het lijk op een grote houtstapel verbrand kan worden. Er staan constant zo'n 4 tot 5 brancards te wachten en er branden voortdurend ongeveer 4 vuren tegelijk. Het is business, het hoort bij het leven en het was dan ook helemaal niet vervelend, vies of vreemd om te zien. Eerder heel vanzelfsprekend. Alleen de geur is... misselijkmakend. Vooral als de wind verkeerd staat en je op het dakterras van het hotel met de as van overleden Indiers wordt geconfronteerd. Gelukkig was ik toen al zo verkouden dat ik niets geroken heb...
Vriendschap voor het leven
Terwijl we de burning Gath achter ons lieten, kwam Papu naast ons lopen en begon een praatje. Hij vroeg niets, had niets aan te bieden, wilde alleen wat kletsen. Met zijn 10 jaar en zonder onderwijs (500 rupies/ 10 euro per maand is voor hem onbetaalbaar) sprak hij toch vrij goed Engels, wat hij leerde van de toeristen met wie hij dagelijks babbelde. Annelies smolt meteen, en nodigde hem uit voor een 7 up. En vanaf dat moment waren ze onafscheidelijk. Als ik, op weg naar mijn tablalessen Papu tegenkwam, was het eerste wat hij vroeg: where is Anna? Als ik op de hotelkamer kwam, zei Annelies: Heb je Papu nog gezien?
Op de ochtend dat we uit Varanasi vertrokken, stond hij ons op te wachten bij de deur. Vol trots droeg hij de kleren die Annelies voor hem had gekocht. Hij is tot aan het station met ons meegegaan en nam bedroefd afscheid van zijn grote vriendin. Dag lieve Papu, het ga je goed!
Het is zo warm in Laxman Joohla dat een wandelingetje van tien minuten om tickets op te halen me al kleddernat maakt. En vervolgens heb ik een half uur onder een ventilator nodig om weer droog te worden. En ik dacht dat Varanasi heet was.
Maar eigenlijk vind ik het niet zo erg. Ik ben allang blij dat mijn energie na vijf dagen weer terug is. In Varanasi werd ik eerst snotverkouden en vervolgens verdween mijn eetlust en energie. Ik had geen zin meer om rond te zwerven, te praten met mensen, foto's te maken, niets. Terwijl Annelies de stad verkende met Papu, haar kleine vriendje van 10 jaar die nu al de eerste verschijnselen van lepra begint te vertonen, kon ik me alleen maar van de ene plek naar de andere slepen om vervolgens een uur uit te rusten van de inspanningen.
Speciale geuren
We leerden Papu kennen op de eerste dag in Varanasi. We waren onze verkenning van de stad begonnen bij de Burning Gath (of all places). Lijken worden daar op bamboebrancards aangevoerd, gewikkeld in goudkleurige en rode doeken. Vervolgens dompelt de familie de verstijfde lichamen met brancard en al in de Ganga waarna de brancard tegen de trappen wordt gezet om te wachten tot het lijk op een grote houtstapel verbrand kan worden. Er staan constant zo'n 4 tot 5 brancards te wachten en er branden voortdurend ongeveer 4 vuren tegelijk. Het is business, het hoort bij het leven en het was dan ook helemaal niet vervelend, vies of vreemd om te zien. Eerder heel vanzelfsprekend. Alleen de geur is... misselijkmakend. Vooral als de wind verkeerd staat en je op het dakterras van het hotel met de as van overleden Indiers wordt geconfronteerd. Gelukkig was ik toen al zo verkouden dat ik niets geroken heb...
Vriendschap voor het leven
Terwijl we de burning Gath achter ons lieten, kwam Papu naast ons lopen en begon een praatje. Hij vroeg niets, had niets aan te bieden, wilde alleen wat kletsen. Met zijn 10 jaar en zonder onderwijs (500 rupies/ 10 euro per maand is voor hem onbetaalbaar) sprak hij toch vrij goed Engels, wat hij leerde van de toeristen met wie hij dagelijks babbelde. Annelies smolt meteen, en nodigde hem uit voor een 7 up. En vanaf dat moment waren ze onafscheidelijk. Als ik, op weg naar mijn tablalessen Papu tegenkwam, was het eerste wat hij vroeg: where is Anna? Als ik op de hotelkamer kwam, zei Annelies: Heb je Papu nog gezien?
Op de ochtend dat we uit Varanasi vertrokken, stond hij ons op te wachten bij de deur. Vol trots droeg hij de kleren die Annelies voor hem had gekocht. Hij is tot aan het station met ons meegegaan en nam bedroefd afscheid van zijn grote vriendin. Dag lieve Papu, het ga je goed!
Abonneren op:
Posts (Atom)